Phewa Tal

    DE REIS VAN M'N LEVEN (oktober 1977 - maart 1978)


5. TERUGREIS

21 Februari 1978 was het dan eindelijk toch zo ver: na een gratis ontbijt van Mukut en afscheid van iedereen te hebben genomen zaten Frans en ik in de bus naar de grensplaats Bhairawa. Bij het ontbijt liet Tom een joint rondgaan, en hoewel ik niet gewend was zo vroeg op de dag al te roken, nam ik hem als blijk van onze vriendschap aan en rookte mee. Zodra we in de bus zaten werd ik in beslag genomen door de herinneringen aan onze bijzondere tijd in Baidam, terwijl ik mijn evenwicht probeerde te bewaren wanneer de bus een bocht nam. Toen ik tijdens een kort oponthoud uit het raam keek, was ik stomverbaasd om te zien dat ik de omgeving kende. Toms joint had zijn uitwerking niet gemist want hoewel ik het gevoel had dat we al een uur of zo onderweg waren, stond de bus nog maar bij het Swiss Restaurant aan het eind van de weg bij het meer om nog wat passagiers te laten instappen!

De grensovergang bij Bhairawa (Beeld: TopDeck Travel)

Bhairawa ligt vlakbij Lumbini, de geboorteplaats van Gautama, de vierde Boeddha (door hindoes vereerd als de negende incarnatie van Vishnoe) – aan de grens met India. Vanaf Sonauli, aan de Indiase kant van de grens, hadden we een heel goedkope en snelle taxi naar Gorakhpur, waar we op de trein naar New Delhi stapten. Hoe chaotisch, druk en vies we India ook vonden, één ding was onovertroffen: als je in de trein een kopje thee kocht van de verkopers die over het perron heen en weer liepen en luidkeels "Chaieeee!" riepen, kreeg je dat altijd in een kopje van enkelgebakken klei, dat je daarna gewoon uit het raam kon mikken. In latere jaren werd deze traditionele manier van theeverkoop verdrongen door plastic bekertjes, maar tijdens een recent verblijf in India las ik over initiatieven om uit milieu-overwegingen weer terug te gaan naar de oude kopjes van klei.

In de trein vanaf Kanpur hadden we gereserveerde zitplaatsen naar New Delhi en begon het gemis van de vertrouwde omgeving aan het Phewa-meer om te slaan in het gemis van de bekende gezichten thuis, ondanks dat we in onze coupé gezelschap hadden van een groepje sympathieke Indiase studenten. Ik had zowaar last van heimwee en hoewel ik genoeg had van het reizen, had ik zin om de terugreis aan te vangen. Als we een beetje vaart maakten konden we in 2 à 3 weken weer in Nederland zijn.

Connaught Place (Rajiv Chowk), New Delhi, in 1977. Om in het park in de middencirkel te komen moest je je leven wagen en tussen de over de rotonde racende auto's, taxi's, scootertaxi's en scooters door oversteken, niet per se bij een zebrapad. (Foto: Dreamstime.com-Bodumalle)

In New Delhi aangekomen zagen we bij Connaught Place een busje van een Engels echtpaar, Carl en Hillary, die met hun zoontje en dochtertje op de terugreis waren en mensen zochten die voor 100 dollar naar Istanboel mee wilden rijden. Frans en ik bedachten dat dat bij grensovergangen veel gedoe zou schelen ten opzichte van een bus met 46 passagiers, dus besloten we onze plek te reserveren. Cor had beloofd om het geld dat we hem voorgeschoten hadden voor ons achter te laten bij de American Express, maar daar lag zelfs geen briefje voor ons. Toen we om het adres van de Bank of America vroegen zag Frans dat er toch een brief voor ons lag. Daarin schreef Cor dat hij op 24 januari vanuit Delhi naar Amsterdam teruggevlogen was en vanuit het Amsterdamse kantoor van AmEx had hij voor ieder van ons Rs800 naar het AE-kantoor in New Delhi gestuurd, die we zonder verder gedoe uitgekeerd kregen.

Totdat ik het in mijn aantekeningen las was ik vergeten dat we op de avond van onze terugkeer in New Delhi, 23 februari, opnieuw een concert van Sadao Watanabe en zijn jazz kwintet bijwoonden, deze keer in het superdeluxe Ashok hotel, waar we bij het welgestelde Indiase publiek totaal uit de toon vielen. De volgende dag gingen we met Carl naar de ambassade om een visum voor Afghanistan aan te vragen, dat we twee dagen later konden afhalen.

Frans en ik brachten dagelijks een paar uur in het park van Connaught Circus door in de hoop Tom daar te zien. Toen we hem daar ook die dag niet aantroffen, gingen we rond half 5 's middags naar ons hotel. Daar lag een briefje van hem met een telefoonnummer. Die avond om 8 uur zaten we weer als vanouds te praten over de link tussen de hindoe-mythologie, de boeken van Toms favoriet Peter Kolosimo en de theorieën van Erich von Däniken, van wie ik tijdens mijn reis op verschillende plekken in totaal zo'n zes titels had gekocht. Inmiddels reisde ik rond met 13 boeken in mijn rugzak!

Op 27 februari gingen we met z'n drieën naar het Jumbo Circus dat de naam niet mocht hebben, maar desondanks, of juist daarom, veel gelachen. De rest van de avond brachten we op Toms kamer door – de volgende dag zouden wij naar Amritsar vertrekken. Op zijn kamer had Tom letterlijk anderhalve meter aan boeken staan die hij in de talrijke boekwinkels van New Delhi had gekocht en hij raadde mij aan om Gnani Yoga - The Yoga of Wisdom van hem te lenen voor onderweg, op voorwaarde dat ik het bij thuiskomst per post aan hem zou retourneren. Een snelle blik in het boek leerde mij dat het niet ging over manieren om je lichaam in de knoop te leggen, maar over de verschillende stadia in de evolutie van bewustzijn en de manifestatie van het leven, en ik besloot het te lenen.

Op de dag van vertrek hadden we met Carl en Hillary afgesproken op hun kampeerplek in het Tourist Camp, waar we kennismaakten met Steven (uit Engeland?) en Roland (Duitsland), twee medepassagiers. Voor we vertrokken kwam Tom ons opzoeken om afscheid te nemen bij een kop chai in het Ramble Restaurant met nog meer verhalen over de universele noties in Oosterse filosofie en de verborgen betekenis van religieuze leringen. Als beginnend zoeker naar antwoorden op levensvragen kreeg ik er geen genoeg van, en Tom deelde zijn uitgebreide kennis graag en gul.

Bij de grensovergang – op 2 maart – bleek dat onze bestuurder Carl zijn fotografiespullen had verkocht (waarvan de waarde bij aankomst in India in zijn paspoort was genoteerd) en omdat hij geen aangifte had gedaan van diefstal werd die uitleg niet geaccepteerd en moest hij terug naar Amritsar voor een politieverklaring. Hierdoor moesten we drie uur bij de grens wachten en omdat het flink regende besloten Steven, Roland, Frans en ik om voor Rs5 in een wagen naar Lahore te stappen, waar we zouden proberen onderdak bij Stevens zus te vinden, die met haar man en kinderen in een mooie buurt woonde. Overnachten ging helaas niet, maar we werden wel onthaald op heerlijke koffie en kaassandwiches. Stevens zwager bracht ons in een VW-bus terug naar het centrum, en het voelde alsof we heel even in Europa waren geweest en nu weer in Pakistan terug waren.

Carls gesjacher en Rolands zelfingenomen stelligheid werkten mij al sinds ons vertrek uit New Delhi behoorlijk op de zenuwen en de ochtend na onze overnachting in het New Chowhun Hotel besloot ik daarom dat ik alleen verder zou reizen, want Frans had er niet zo'n moeite mee. Boven verwachting bereikte ik Peshawar in één dag en in het Rainbow Guest House verheugde ik me op de pannekoeken die ik had besteld die, na anderhalf uur, in de vorm van vettige deegplakjes geserveerd werden. Maar goed.

De volgende dag kocht ik een kaartje voor de bus naar Kabul en haalde ik wat dollars. Dit kostte, zoals wel vaker, nog enige moeite want lokale banken wilden hun dollars liever niet kwijt. In de bus van Peshawar naar Kabul zat ik naast de dochter van de Iraanse ambassadeur in Pakistan en las ik Toms boek over de yoga van wijsheid uit. Voor het eerst maakte ik kennis met het idee dat bewustzijn evolueert door opeenvolgende natuurrijken en dat uitbreiding van bewustzijn leidt tot steeds groter begrip van het leven en vereenzelviging met de Bron, onze goddelijke vonk, en ik begreep nu dat de ervaring die ik in december in Mathura had daarvan een voorproefje moest zijn geweest.

Rechts: De route van Peshawar naar Kaboel loopt na Jalalabad langs een diep ravijn. (Foto: Sven Dirks/Wikimedia)

Op 5 maart kwam ik in Kaboel aan, waar het Eagle Hotel flink verbouwd werd. Twee dagen later kocht ik voor 35 dollar een ticket naar Teheran, maar de eerstvolgende bus ging pas op zaterdag de 11e, waarmee mijn plan om in een ruk door te reizen alsnog vertraging opliep.

Vanwege de verbouwing van het hotel week ik voor de resterende vier dagen in Kaboel uit naar hotel Faruq, maar net als Nepal na India was Afghanistan na Pakistan een oase van ontspanning, ondanks de natte sneeuw die hier viel. Het was echter een uiterst vervreemdende ervaring toen ik op een dag een groene bestelbus van Betonboringsbedrijf De Jong uit Assendelft in de stad rond zag rijden. Het bedrijfspand met de geparkeerde busjes waren voor mij jarenlang een dagelijks herkenningspunt als ik 's morgens mijn krantenwijk liep, en ik was echt even de tel kwijt toen ik er hier een zag. Ik maakte van mijn extra tijd in Kaboel gebruik om nog wat laatste brieven naar familie en vrienden te schrijven, en liep op donderdag Frans weer tegen het lijf, die hier inmiddels ook was aangekomen.

In de bus van Kaboel naar Teheran zat ik naast Patrice, een jonge Zwitser van ongeveer mijn leeftijd die er vermagerd en bleek uitzag. Hij leek nogal bedeesd, maar misschien was hij nog wel versuft van zijn ervaringen in de gevangenis van Kaboel en overweldigd door zijn vervroegde vrijlating door de tussenkomst van de Zwitserse consul die hem ook geld had gegeven om naar huis te kunnen reizen. Meer wilde hij er niet over kwijt, en omdat ik nog grotendeels in beslag genomen werd door de nieuwe denkbeelden uit Toms boek en hij geen behoefte had aan lange gesprekken, waren we een prima match voor een busreis van enkele dagen. Van de passagiers was zo te zien maar ongeveer een derde Westerling die, net als ik, op weg terug waren en ook niet veel geld meer hadden.

Bakkerij in Herat met de langwerpige platte broden. (Foto: Colin Clews)

De bus zou met twee chauffeurs in één keer doorrijden naar Teheran, natuurlijk wel met stops om te eten en naar de wc te gaan. In Herat kocht ik twee Afghaanse broden, die niet alleen lekker waren, maar je kon ze ook zo makkelijk dubbelklappen en in je schoudertas steken voor onderweg. Dat kwam goed van pas toen onze bus in de bergen van noord-Iran een halve dag vast kwam te zitten door een sneeuwlawine. Eenmaal weer op weg kreeg ik honger en gelukkig had ik nog een brood. Ik nam er zelf wat van en vroeg Patrice of hij ook wat wilde, want hij had maar net genoeg geld voor de reis. Toen hij het terug wilde geven nadat hij een stuk had afgebroken, gaf ik het door aan de passagiers in de stoelen voor ons. Hoewel dat niet direct mijn bedoeling was, gaven die het weer verder door. Voor zover ik kon zien werd mijn brood door verschillende passagiers in dank afgenomen, al brak niet iedereen er wat af, maar het ging bijna de hele bus rond. Tot mijn verbazing leek het stuk brood toen het bij mij terug kwam groter dan toen ik het doorgaf. Dat, of een andere passagier had besloten om zijn of haar brood ook te delen en heb ik dat stuk in mijn tas gestoken toen het bij mij kwam.

Na Kaboel hield ik geen dagboek meer bij, maar vanuit Teheran had ik de volgende dag een bus naar Istanboel, waar ik op 16 maart aankwam. De eerstvolgende bus naar Duitsland vertrok op 18 maart en zou door Bulgarije gaan. Omdat ik nauwelijks kon wachten om weer thuis te zijn, besloot ik ondanks de kosten toch maar een visum aan te schaffen, en misschien was dat in Turkije ook wel goedkoper dan in Joegoslavië, op de heenweg.

De rit door Bulgarije bevestigde het beeld dat in het Westen bestond van dat land als armlastige Sovjet-satelliet – een groot plein in de hoofdstad Sofia bood in de vroege ochtend van 19 maart een troosteloze aanblik met als enige 'weggebruiker' een oud krom vrouwtje dat onzichtbaar straatvuil opveegde. Verder herinner ik me de prachtige Alpen die ik nooit eerder had gezien en die me – met een vreemde mengeling van warme herinneringen en weemoed – deden terugdenken aan mijn tijd bij het Phewa-meer in Nepal, het gemeenschapsgevoel daar, en de Nepalezen die ik bijna een maand eerder als vrienden had achtergelaten. Lange tijd heb ik gedacht dat de bus door Zwitserland reed, maar waarschijnlijker was het toch Oostenrijk.

De bus kwam 's ochtends in Frankfurt aan, de eindhalte, en van daar kreeg ik als natgeregende, langharige, ongewassen backpacker al snel een lift van een Nederlandse zakenman in het (volgens hem) nieuwste model Mercedes die in één ruk naar Nijmegen reed en heel belangstellend naar mijn reisavonturen vroeg, maar mij ook af en toe alleen liet met mijn gedachten. Hierdoor moest ik het negatieve beeld van de welgestelde medemens dat ik in India bevestigd zag weer danig bijstellen (verward, iemand?). Op het station van Nijmegen kocht ik met mijn laatste biljet van 25 gulden een enkeltje Krommenie-Assendelft, én een pakje Samson met vloei – want de Drum was op. Toen ik op 21 maart 1978 na vijf maanden thuis kwam had ik nog fl 1,23 en wat vreemd muntgeld in mijn portemonnee.

Foto: Station Krommenie-Assendelft in 1977 (Foto: Peter Collet)

Met kennelijk vooruitziende blik schreef ik al op 11 januari in mijn dagboek: "Ik vermoed trouwens dat het [echte] avontuur pas komt bij thuiskomst. Jij bent veranderd ten opzichte van je vertrouwde omgeving, je bent er een tijd tussenuit geweest, het is er weer nieuw voor je, want je ziet dingen in een ruimer perspectief en langzamerhand komen de verhalen los." Wat ik niet had bedacht was dat het perspectief van de thuisblijvers nog hetzelfde was, waardoor ze na een paar keer verhalen te hebben aangehoord weer overgaan tot de orde van de dag. Ik wilde mijn ervaringen met anderen delen, maar verhalen kunnen niet op tegen de ervaringen zelf. Het weerzien met familie en vrienden was in dat opzicht dan ook een behoorlijk zwart gat.

Naschrift

Wie eind jaren 70 de reis van Europa naar India en Nepal maakte, had het voordeel van het 'karrespoor' dat door de vroege India-gangers was getrokken – de budgethotelletjes en restaurantjes op veel plaatsen langs de route waar onmisbare informatie en tips over hotels, ambassadetijden, vervoer, oplichtingspraktijken, en contacten werden gedeeld. Maar de betrekkelijke massaliteit van dat toerisme en de nadelige effecten ervan op het leven van de lokale bewoners waren ook duidelijk te merken. Toch prijs ik me gelukkig dat ik deze reis in 1977-78 kon maken, want ondanks dat we in 2021 instant en voortdurend contact met elkaar hebben via internet en mobiele telefoons, lijkt het wel of we steeds moeilijker echt contact maken met de wereld om ons heen.

Het reconstrueren van mijn reis bracht veel meer herinneringen en soms zelfs gezichten terug dan ik had verwacht, en daarbij ook weemoed of verlangen naar de verwondering waar ik me toen niet eens van bewust was. Wat zou ik graag nog eens zo'n reis maken, met de onbevangenheid van mijn jeugd, maar wel met de wijsheid en levenservaring van de jaren. Of is dat eigenlijk wel mogelijk als het leven ons voor ervaring laat betalen met onze jeugd? Zou zo'n reis nu nog mogelijk zijn, met Google Maps, geldautomaten en Whatsapp? Mijn reis zette me op het pad van ontdekking van mijn binnenwereld, maar zijn dit soort ontdekkingsreizen in de buitenwereld van nu nog wel mogelijk?

Tijdens onze reis gaven we af op de dikke rijke Indiërs die geen oog hadden voor de armen, op de arme Indiërs die hun eigen leefomgeving vervuilden, en op de arrogante Westerlingen die alles beter wisten (kijk-naar-jezelf, iemand?) en die vaak ook van de armste sloebers het onderste uit de kan wilden. Het was een overweldigende ervaring, wat je pas naderhand beseft want je blik wordt niet in één keer, maar elke dag een klein beetje verruimd. Achteraf hadden we toch een geweldige tijd en, nu ik mijn herinneringen op een rijtje zet, ervaar ik een gevoel van diepe dankbaarheid voor wat, ondanks het bestaande 'karrespoor', een groot avontuur was – zo niet altijd fysiek, dan toch zeker psychologisch. In de jaren die volgden ben ik nog diverse keren naar India en vooral Nepal teruggegaan, zat ik in oktober 1978 voor het eerst in een vliegtuig om Tim en Tom in Iowa op te zoeken, en reisde ik in 1979-1980 letterlijk de wereld rond. Maar nooit meer ervoer ik de verwondering van de ontdekkingsreis die mijn eerste reis naar Nepal was.

April 2021

Tot slot:

  • Hoewel vaak als 'onschuldig' gezien, werd hasj een probleem waar ik vele jaren mee worstelde voordat ik er in 1992 definitief mee kon stoppen. Twee jaar later drukte ik mijn laatste sigaret uit.
  • Met Cor heb ik sinds kort na 33 jaar weer contact, nadat ik hem in 1988 nog een keer had gezien op een feestje. Hij vertelde me dat Frans helaas al jaren met ernstige gezondheidsproblemen kampt.
  • Het boek dat Tom mij leende, zette mij nog in 1978 op het spoor van wat ik nu ken als de leringen van de Oude Wijsheid, waarvan ik in de loop der jaren een bescheiden bibliotheek verzameld heb, wat begon met mijn eigen exemplaar van Gnani Yoga. En hoewel de speculaties van Von Däniken en Kolosimo mijn interesse in buitenaardse bezoekers hadden gewekt komen die er niet in voor, maar wel een groot aantal directe verslagen van ooggetuigen, met name George Adamski.
  • Op mijn tweede reis (oktober 1978-maart 1979) verbleef ik twee maanden bij Tom, die met Tim een winkel in Oosterse meubels, sieraden e.d. in Iowa City had, de Jewel of Kashmir. Bij ons afscheid die keer liet Tom me beloven om, mocht ik ooit ergens over de Grote Witte Broederschap lezen, ik het hem zou laten weten. Toen ik daarover informatie vond in de boeken van o.a. Alice A. Bailey en Benjamin Creme en hem daarover schreef, kreeg ik geen reactie en, zoals die dingen gaan, verwaterde het contact na enige tijd. En toen ik onlangs online weer naar hem op zoek ging, vond ik helaas het bericht dat hij in 2018 op 68-jarige leeftijd was overleden.
Links: Tom in Iowa City, november 1978. (Foto: Privé-archief)
  • In 2013 en 2018 was ik twee keer in zuid-India voor een onderwijsconferentie, de eerste keer in Kochi, in de staat Kerala, de tweede keer in Whitefield, Bangalore, in Karnataka, voor de 25th International Democratic Education Conference (IDEC 2018), waarbij ik ook een deel van Tamil Nadu zag. Al die jaren na mijn eerste kennismaking met het land liet zuid-India mij een heel andere kant van het land en de cultuur zien, zodat ik besloot er in 2019 op vakantie te gaan en na mijn pensioen zou ik best ergens in dat deel van het land willen overwinteren.
Rechts: Tijdens IDEC2018 in Whitefield, Bangalore. (Privé-archief)