Phewa Tal

    DE REIS VAN M'N LEVEN (oktober 1977 - maart 1978)


2. ISTANBOEL – NEW DELHI

In een straatje net buiten de bazaar van Istanboel kocht ik voor omgerekend 25 gulden een puike rugzak (hier op een foto van enkele jaren later) die na mijn eerste reis nog lang trouw dienst heeft gedaan.

Op aanraden van een Haarlemmer die in Istanboel in een band speelde, kochten we bij Batu Tur voor 500 lira een busticket naar Teheran. Op dinsdag 1 november vertrokken we voor de reis van in totaal 60 uur. Na 1,5 dag over slechte wegen met vele wrakken langs de weg, kwamen we aan in Erzurum, in oost-Turkije, waar we in een vies klein hotelletje overnachtten à 20 lira (fl 2,25) de man. We zagen het niet zitten om in het donker een ander hotel te zoeken want dit deel van Turkije stond niet als erg veilig bekend. De volgende dag zouden zich 20 Turkse passagiers bij ons voegen in de bus, en het was maar afwachten of we dan nog een zitplaats hadden. Door de geringe beenruimte waren zitplaatsen voor mij al oncomfortabel genoeg.

Onderweg naar Erzurum, Turkije
(Foto: Michael Zuther)

Na weer 1,5 dag in de bus kwamen we via Tabriz op 4 november om 1 uur 's middags in Teheran aan. Terwijl oost-Turkije, waar we vanuit de bus nog zicht hadden op de berg Ararat, prachtig was, veranderde het landschap over de grens met Iran tamelijk snel in een woestenij die hier en daar werd onderbroken door een prestigeproject van de Sjah. Volgens Cors gids was Amir Kabir een betaalbaar hotel, en dat bleek net zo gemakkelijk te vinden als de Pudding Shop in Istanboel, want het was net zo'n vaste ontmoetingsplek op de weg naar India. In het hotel at ik brood met worteljam, dat smaakte naar pannekoek met stroop. Een visum voor Afghanistan konden we in de oostelijke stad Mashad aanvragen, waarvoor we direct de volgende dag op de bus stapten.

visum Iran

De busreis naar Mashad was afzien. Wij zaten achterin de bus en aan de raamkant bij de nooddeur tochtte het terwijl van de stoel aan het gangpad de armleuning ontbrak. In de koude lucht van de noord-Iraanse bergen was het bij de nooddeur te koud om de slaap te vatten en vanwege de bochtige wegen moest je aan het gangpad voortdurend je evenwicht zien te bewaren zodat je ook daar niet of nauwelijks aan slapen toekwam. Het landschap daarentegen was prachtig.

Een van de grootste ongemakken op het traject van Istanboel naar India waren de smerige, stinkende latrines waar je tijdens een eet- of plaspauze bij een restaurant langs de route je behoefte moest doen. Ik begreep niet hoe mensen zo naar de wc konden gaan, en voor iemand met wc-verlegenheid als ik is het al zo lastig wanneer het schuifslotje van de deur kapot is of – erger nog – de deur gewoon ontbreekt. Een keer, voorbij Teheran, besloot ik om maar gewoon vier uur te wachten tot de volgende stop, ook al had ik hoge nood.

Rechts: Visum voor Iran

Al in Griekenland hadden Frans en ik het voedingsgemak van biskwietjes tijdens een busreis ontdekt, en Marie biscuits en Gluco's waren al snel een vast onderdeel van onze proviand, naast brood, fruit en wat je door het raam van de bus of de trein aan snacks kon kopen. In Turkije at ik tijdens stops meestal een bonenschotel, maar daar had ik op een gegeven moment ook weleens genoeg van. Dus, hoewel ik van jongsaf aan geen vleeseter ben, en omdat de keuze in de wegrestaurants in Iran beperkt was, zat er weinig anders op dan zo nu en dan (saffraan)rijst met kip te bestellen – anders werd het kebab van schapen- of geitenvlees. Na enkele dagen vond ik de Iraanse kip best smakelijk en ik verbeeld me dat ik het nog steeds weleens mis. Tijdens de stops dronken we vaak thee, soms een cola als die gekoeld te krijgen was, maar wat we behalve onze veldflessen met water op de bus meenamen kan ik me niet herinneren. De instantbevrediging die met de fitnessrage in de volgende decennia tot de plastic-waterflesjescatastrofe leidde, bestond immers nog niet. Waarschijnlijk hadden we gewoon dorst tot de volgende stop.

Onderweg zagen we veel bestelbusjes van reizigers uit het Westen, soms met pech langs de weg. Ook de bussen waar wij mee reisden bleef pech niet bespaard. Vaak genoeg klapte er een band, die dan vervangen moest worden. Geregeld raakte een tank lek, brak er een wielas of ging een motoronderdeel kapot, waarvoor dan een nieuw moest komen. Als passagier kon je ervoor kiezen om te blijven wachten zonder te weten hoe lang het zou duren, of proberen een lift te krijgen op een vrachtwagen.

Tussen Mashad en Herat
(Foto: Michael Zuther)

In Mashad aangekomen was de Afghaanse ambassade al gesloten. Op zoek naar een hotel, werden we geholpen door een jonge Iraniër die onderweg nog even iemand moest spreken. We kwamen bij zijn "oom" in een tapijtwinkel die ons thee aanbood en tapijten liet zien. Ons bezwaar dat we onderweg waren naar India was geen probleem, want ze konden ze ook betrouwbaar verzenden, kijk maar naar al deze dankbetuigingen uit Duitsland en Amerika. Echt geen tapijten? Turkoois dan? Onderweg naar het hotel werd Frans gevraagd of hij ergens thee wilde drinken (d.w.z. tapijten wilde kopen). De banken waren al gesloten, maar iemand in het hotel wist wel waar we geld konden wisselen – ook dat leidde tot een poging om ons tapijten te verkopen.

Herat-photo R.L.Kreamer

Dinsdagochtend 8 november staken we bij Taybad na veel gedoe de grens met Afghanistan over. Opvallend hoeveel twee buurlanden kunnen verschillen. De Afghaanse douanebeambten liepen er bij in de meest onverzorgde allegaartjes van uniformen en waren heel flexibel met formaliteiten zodra je geld liet zien. 's Avonds aangekomen in Herat, waar we nog geen tien minuten rondliepen of ik kreeg onverhoeds een kluit hasj in mijn handen gedrukt, waarschijnlijk van iemand die op weg was naar de grens. In het hotel (Niagra) waar we overnachtten was het, net als eten en drinken, gewoon te koop. Deze foto (uit het boek The Hippie Trail: After Europe, turn left van R.L. Kreamer) is precies zoals ik me Herat herinner. Uit de bus liepen we over deze brede straat, waar 's avonds in het licht van kerosinelampen nog allerlei negotie werd gedreven.

Ondanks de droogte genoot ik van het Afghaanse landschap, waar niets leek te groeien. Het hield voor mij ook een bepaald mysterie in, wanneer je zo nu en dan een herder met wat geiten of kamelen langs de weg zag lopen, of wat mensen in de schaduw van een eenzaam lemen hutje zag zitten. Waar leven ze van? Wat eten ze? Heb je als kind vriendjes om mee te spelen?

Rechts: Straatbeeld in Kaboel (foto: Mario Paluan)

Op 11 november kwamen we aan in Kaboel, waar we in het Eagle Hotel terechtkwamen (30 afghani's p.p.). In de binnentuin van het hotel zat een enorme uil tegenover ons. Hoewel we veel Afghani's met geweren en vrouwen in boerka over straat zagen lopen, voelde de stad ontspannen aan vergeleken met Teheran of Mashad, omdat je hier niet voortdurend werd gevraagd of je iets wilde kopen. Het "toeristische centrum" was gelegen rond Chicken Street, waar allerlei restaurantjes westerse gerechten op de kaart hadden staan, zoals spaghetti, pannekoeken of hamburgers (toerist, iemand?). In mijn aantekeningen zie ik dat we in het hotel zelfs nog een fles wijn lieten aanrukken, die we ons goed hebben laten smaken.

Aan de Shar-e-Naw in Kaboel, waar veel bussen stopten, waren modern ogende winkels en kantoren en op straat zag je naast de vrouwen in boerka, ook vrouwen in westerse kleding. Maar in Chicken Street en de meeste andere straten waren de winkeltjes traditioneel en zag je veel ambulante handel, inclusief schoenpoetsers en verkopers van kebab en gepofte kastanjes.

Vòòr email en internetcafé's, Facebook, of Whatsapp waren brieven die 'Poste Restante' naar het hoofdpostkantoor in de volgende stad op je route gestuurd werden de enige betaalbare mogelijkheid om contact te houden met het thuisfront. Dus een van de eerste dingen die je deed bij aankomst in een stad waarvan het thuisfront wist dat je daar zou komen, was een bezoek brengen aan het hoofdpostkantoor om te zien of er post van familie of vrienden was.

Rechts: Even de mail checken in de jaren 70 – het hoofdpostkantoor in Kaboel. (Beeld: SRF)

Toen de hasj die ik bij aankomst in Herat op straat in mijn hand gedrukt had gekregen op was, kochten we in Kaboel weer wat nieuwe. Kaboel stond er ook om bekend dat opium en heroïne net zo eenvoudig te verkrijgen waren en een aantal documentaires die later over de hippie trail zijn gemaakt besteden terecht aandacht aan het flinke aantal jonge Westerse reizigers die hier verslaafd raakten en hun voortijdige laatste rustplaats vonden. Wij waren ons bewust van de gevaren van deze zware middelen en hadden ook niet de neiging om ermee te 'experimenteren'. Van de hasj die we hier hadden gekocht werden we echter zo ongelooflijk en onprettig slaperig, dat ik achteraf denk dat deze misschien wel met iets sterkers vermengd was.

Na vijf dagen konden we met een bus mee over de Khyber-pas, die nog met enige regelmaat door roverbendes onveilig gemaakt werd. In Peshawar, niet ver voorbij de Pakistaanse grens, bereikten we met een tonga (paardentaxi) het Rainbow Guest House, dat omringd werd door allerlei garage- en smidse-achtige bedrijvigheid. We hadden ontzettende honger en ik was blij verrast om op de kaart van een restaurantje bij het hotel een gerecht met spinazie te zien. Dát wilde ik wel, na zoveel dagen zonder veel groenten. De spinazie zag er smakelijk uit, maar toen ik een hap nam sloegen de vlammen mij uit de oren. Wie had er bedacht om pepers door de spinazie te doen?! Een haastig bestelde koude(!) cola hielp niet om mijn papillen tot rust te brengen of mijn teleurstelling weg te spoelen. Door een ogenschijnlijk onschuldige portie spinazie maakte ik hardhandig kennis met de pittige gerechten van het Indiase subcontinent.

Peshawar was ongelooflijk druk, met veel mismaakte mensen in de stoffige straten, waar boven het huishoudelijke, groenten- en slachtafval een geur van bederf hing. Ook zag ik er mijn eerste fakir, die rondliep terwijl er een enorm mes door zijn hals stak. Niet omdat het moet, maar omdat het kan.

Straatbeeld in Peshawar (Foto: Cor Kroon/Gerard Aartsen)

Twee dagen later arriveerden we in Rawalpindi (hotel Taj Mahal). Terwijl we ergens een milkshake dronken, raakten we aan de praat met een jonge Singalees die in zeer gebrekkig Engels vertelde dat hij met 350 roepies onderweg was naar Nederland. Toen wij hem lieten zien waar dat lag, leek het alsof hij voor het eerst in zijn leven een landkaart zag en nu pas begreep hoe ver dat was. Ik begon me te ergeren toen Cor en Frans geduldig bleven proberen uit te leggen, terwijl hij nauwelijks iets leek te begrijpen. Wat mij betreft waren we allang weer verder gegaan, maar hij wilde met ons mee naar de Indiase ambassade voor een visum, om in Bombay aan te monsteren op een vrachtschip. We noemden hem 'Flimflim', omdat hij veel over films praatte, maar het woord consequent als 'flim' uitsprak, en altijd twee keer achter elkaar.

Vanuit Rawalpindi bracht een minibus ons voor 1 roepie p.p. naar Islamabad, waar de ambassades gevestigd waren. Da's geen geld, maar ze vertrekken pas als ze 18 of 20 passagiers in het busje hebben waar er plaats is voor 8 of 10. Op de ambassade vulden we de visumaanvraagformulieren in en lieten we ons paspoort achter, dat we de volgende dag pas weer om 3 uur 's middags konden ophalen. Niet aan gedacht dat we geen contant geld meer hadden, en zonder paspoort konden we geen cheques inwisselen, terwijl de banken de volgende dag al om 1 uur voor vier dagen hun deuren zouden sluiten.

Dinsdag 21 november probeerden we met al onze overredingskracht om onze paspoorten wat eerder terug te krijgen, maar die kregen we pas om half 5. Frans had die ochtend met 'ons mannetje' bij de Grindlays Bank afgesproken dat hij tot 3 uur op ons zou wachten en in de vage hoop dat hij er nog zou zijn, raceten we met een taxi naar de bank waar we nog net wat geld konden opnemen. Wat een stress.

Op 22 november, onze laatste ochtend in hotel Taj Mahal, kwam Flimflim weer bij ons op de kamer en verdween op een gegeven moment in de badkamer. Ik dacht dat hij naar de wc ging, maar na een minuut of 20 was hij nog steeds niet klaar. Opeens stak zijn kop met nat haar om de deur en zijn arm reikte naar Cors handdoek op het haakje. Uit de vanzelfsprekendheid waarmee hij zonder iets te zeggen had gedoucht en de eerste handdoek binnen handbereik pakte, sprak absoluut vertrouwen, alsof hij ons als familie zag. Dit maakte me ineens bedroefd om ons afscheid van dit toonbeeld van onbevangenheid.

Shoeshine bij het busstation van Rawalpindi (Foto: Cor Kroon/Gerard Aartsen)

Van Rawalpindi kwamen we rond een uur of 3 met de bus in Lahore aan en namen de tonga naar Hotel Venus waar we gastvrij ontvangen werden. Voordat we de volgende ochtend naar Amritsar ìn India zouden reizen, stond de manager erop om ons een gratis massage te geven. Toen we India binnenkwamen ontdekte Cor dat er negen van zijn cheques van 100 dollar gestolen waren. Alledrie vermoedden we dat dit tijdens de 'gratis' massage gebeurd was maar misschien, zei Cor, had hij ze ook wel in de bank in Islamabad laten liggen. Bij de Pakistaanse grens werd ik zelf van Rs200 'beroofd' – volgens de douanebeambte mocht ik geen Pakistaans geld mee het land uit nemen. Ik kon het afgeven en daarvoor kreeg ik een bewijsje waarmee ik het binnen twee maanden terug kon krijgen. Omdat ik niet verwachtte binnen twee maanden weer terug te zijn, zei ik "That's robbery!". Vreemd genoeg hielp dat, want nu mocht ik alsnog Rs100 houden.

De grensovergang zelf, de mooiste en meest ontspannen van onze hele reis, was een verademing. Waar nu elke avond de Beating Retreat Ceremony (ook wel: Silly Walk ceremonie) wordt gehouden, maakten wij een rustige wandeling over de weg door een stukje gedemilitariseerd niemandsland. Zo nu en dan moest je je paspoort of je vaccinatiepaspoort tonen en kreeg je een stempel. (De foto van Erik Pontoppidan hieronder is uit 1969, maar laat precies zien hoe ik het mij herinner, al was het in 1977 iets drukker op de weg.)

Vanaf de grens namen we een taxi naar Amritsar, waar we op de trein naar New Delhi stapten. Een bediende van de spoorwegen zou ons voor Rs5 slaapplaatsen bezorgen – dat hebben we geweten. Wanneer je voor het eerst in India met de trein reist, en ook nog wel een paar keer daarna, is het een ware martelgang. Bij het binnenrijden van de trein telt maar één doel: jij moet aan boord, ook al moeten er nog duizend mensen uitstappen en zijn er duizend anderen al bezig om in te stappen, of door de ramen naar binnen te klimmen – iedereen over, op, tussen en door elkaar en de enorme bundels bagage heen. De slaapplaatsen konden we vergeten, die waren al in gebruik als zitplaats, zoals in de (meer recente) foto hieronder, voordat we er maar in de buurt waren. We konden alleen maar een zitplaats bemachtigen door ons met dezelfde brutaliteit tussen andere passagiers op een bankje te wringen.

We hadden voor 20.00 uur koffie besteld en dat werd nog gebracht ook ... precies op het moment dat ik tussen twee Indiërs zat die ruzieden om een plaats. Cor en Frans hielden het dienblad met koffie en broodjes uit het raam terwijl ik probeerde te betalen, maar door het geduw en getrek viel er het een en ander van het blad waardoor de ruzie nog verder oplaaide.

De volgende ochtend kwamen we doodmoe in New Delhi aan, waar we door een fietsriksja naar Hotel Natraj, niet ver van Connaught Place, werden gebracht. Onderweg laveerde de riksjafietser door een feestvierende stoet van bruiloftsgangers van wie we verschillende keren felgekleurde Indiase zoetigheden in onze handen gedrukt kregen die als bakstenen op onze nuchtere maag vielen, terwijl het vrolijke maar oorverdovende getoeter van de feestband op dat vroege uur ook niet echt aan niet ons besteed was.


De reis