Phewa Tal

    DE REIS VAN M'N LEVEN (oktober 1977 - maart 1978)


1. AMSTERDAM – ISTANBOEL

In Amsterdam had ik op het Damrak al vaak de teruggekeerde India-gangers gezien die meegebrachte kleding, sieraden en/of het bestelbusje waarmee ze teruggereden waren, wilden verkopen om hun retourticket naar London, de VS of Canada te betalen. Frans was de enige met een (motor)rijbewijs en we wilden, zoals veel anderen, reizigers zijn en geen toeristen. Dus we boekten geen georganiseerde reis van Amsterdam naar Kathmandu bij de Magic Bus of Budget Bus, maar gingen naar Istanboel liften en vandaar met lokale bussen verder reizen om zoveel mogelijk de mensen en hun cultuur te leren kennen. Dat lovenswaardige streven bleek grotendeels nog best naïef.

In voorgaande jaren had ik al aardig wat ervaring opgedaan met liften in Nederland en Groot-Brittannië en ik was het met Cor eens dat het geen zin had om te proberen met z'n drieën naar Istanboel te liften. Frans en ik vertrokken op maandag 24 oktober; Cor was een week eerder vooruit gegaan. We hadden afgesproken om elkaar bij de Pudding Shop in Istanboel te ontmoeten. Dat klonk goed, want pudding was aan mij wel besteed.

Frans (links) en Cor (rechts), in het midden Cors latere vrouw Bettina

Voor een voorspoedige start hadden Frans en ik de trein naar Keulen genomen, om vanaf daar te gaan liften. Na lang wachten bracht de eerste lift ons tot bij een jeugdherberg in Ulm. De volgende dag kwamen we tot vlak voor München waar we na veel vragen met tram en bus aan de andere kant weer uitkwamen. Vanaf München kostte het ons een dag en een nacht om de Oostenrijkse grens te bereiken, en drie ontmoetingen met de polizei. De tweede nacht in Duitsland brachten we door in een droge berm langs de Autobahn. Midden in de nacht werden we door de polizei gewekt die kwam checken of we geen gedumpte lijken waren. ’s Morgens werd ik wakker met mijn voeten in een plasje water omdat de regen het van de waterbestendige buitenhoes had gewonnen. Vlak voor de grens werden we tot twee keer toe door de politie van de Autobahn gestuurd en omdat we de volgende keer een bon van DM20 elk zouden krijgen, kozen we eieren voor ons geld. De schouderband van mijn pukkel had het al op de tweede dag, in Ulm, begeven, en ook mijn slaapzak bleef niet zo ingenieus aan de pukkel bevestigd als ik had gepland, dus ik liep nu te jongleren met mijn pukkel, de slaapzak, mijn bergschoenen en een plastic tas met wat proviand.

De volgende dag boden twee Turkse gastarbeiders in een bestelbusje aan om ons, samen met een Duitse lifter, tegen een bijdrage in de benzinekosten mee te nemen. Na onze moeizame liftpogingen in Duitsland konden we dit aanbod niet afslaan. Via Salzburg staken we bij Sentilj de grens met Joegoslavië (nu Slovenië) over. Tijdens de nachtelijke rit via Belgrado, waarbij we door dichte mist over de bochtige tweebaansweg scheurden, werden we geregeld bevangen door twijfel of we dit wel zouden overleven gezien alle verhalen over dronken Joegoslavische automobilisten en de vele autowrakken langs de kant van de weg. Door de spanning, en de Turken die ook graag mee rookten, waren er van de vijf pakjes Drum die ik had meegenomen bij aankomst in Nis, in het zuiden van Joegoslavië (nu Servië), nog maar drie over.

In Nis besloten Frans en ik om met de trein via Griekenland verder te reizen, want we hadden geen visum voor Bulgarije en dat kostte maar liefst 40 gulden. Op het station van Nis vonden we dat we wel een biertje verdiend hadden. Het was een warme dag, en het Joegoslavische bier was niet alleen bijna even warm maar had ook een chocolade-achtige afdronk – een klap in het gezicht. De trein vanuit Nis vertrok om 3 uur 's nachts naar Thessaloniki. De Duitse medelifter gaf me een briefje van een studievriend voor diens broer in Thessaloniki, voor het geval we dat af konden geven.

Nadat we om 1 uur 's middags in Thessaloniki waren aangekomen, probeerden we direct verder te liften naar Istanboel, maar tevergeefs. Op zoek naar een onvindbare jeugdherberg kwamen we in de buurt van het adres op het briefje dat de Duitser mij gegeven had. Daar bleken twee Koerdische studenten te wonen die ons allerhartelijkst verwelkomden. Nadat we een warme douche hadden genomen, vroegen ze of we honger hadden. Daarop werden we getrakteerd op een hele kip, patat, stokbrood en halve liters Amstel bier. Ook mochten we onze slaapzak op de vloer uitrollen en blijven slapen. Zulke gastvrijheid van vreemdelingen was nieuw voor mij. We wisselden adressen uit, maar hebben helaas nooit meer contact gehad.

Met hulp van onze Koerdische vrienden namen we de bus naar Istanboel, ook al kostte die 700 dinar (of was het drachme? hoe dan ook, 50 gulden). Op zondag 30 oktober liep Cor ons bijna voorbij toen we in de Pudding Shop op hem zaten te wachten. Dat bleek eigenlijk Lâle Restaurant te heten en deed dienst als pleisterplaats voor reizigers langs de route van Londen naar India en vice versa. Daar werden tips en verhalen uitgewisseld en kon je via het prikbord vervoer vinden naar Teheran and beyond of terug naar Europa.

Links: De Pudding Shop in 1977 (Foto: Colin Clews)

Istanboel was mijn eerste 'exotische' ervaring, met de contouren van de Aya Sophia en de Sultan Ahmed (Blauwe) moskee, de gebedsoproepen, mensen die er anders uitzagen, het straatgewoel met paard-en-wagens, de bazaar – het voelde echt als "de poort naar het Oosten". Maar wat vond ik het er vies en armoedig!

Rechts: Straatbeeld in Istanboel, 1977 (Foto: Colin Clews)

Omdat we geen toerist wilden zijn gingen we bewust niet de Aya Sophia en de Blauwe Moskee bezoeken. Arrogantie kent vele gezichten en met het voordeel dat terugblikken biedt, zie ik dat ik tijdens onze trip nog wel vaker tegen de grenzen van mijn beperkte horizon ben aangelopen. Toch deden deze dommigheden niets af aan de "ervaring voor het leven" die deze reis zou worden, maar spijtig blijft het.

In Istanboel deelden we in Hotel Liz een kamer met een Engelse jongen die al elf dagen in Istanboel vast zat omdat hij niet genoeg geld had om Griekenland binnen te mogen. Ook kwamen we in de stad een Australiër tegen die Frans en ik eerder hadden ontmoet toen hij met zijn fiets bij de Turkse grens stond.

's Avonds zaten we in een theehuis buiten de bazaar, waar drie Turken ons om een shaggie vroegen en aanboden dat met “natuurlijke Turkse tabak” te mengen. Nog zo groen als gras was ik wel benieuwd. Er werd gevraagd wat ons beroep was – Cor was timmerman, Frans metaalbewerker, en ik wist het nog niet, dus hield ik het bij 'student'. Toen we vroegen wat de mannen zelf deden, vertelden ze: taxichauffeur, tapijthandelaar en ... politiemedewerker. Plotseling maakten Cor en Frans zich zichtbaar zorgen en wilden snel weg, maar ik begreep het allemaal niet zo.


Pas toen we buiten kwamen merkte ik hoe stoned we waren. Cor zei dat hij wel wist wat ze met “natuurlijke tabak” bedoelden, maar toen wisten we nog niet dat een van hen bij de politie werkte. Hij was bang dat de gastvrije rookervaring misschien een val was om ons geld afhandig te maken voor deze “overtreding”, of erger. De film Midnight Express was nog niet uit, maar de verhalen over corrupte Turkse politie-agenten, strenge straffen en onherbergzame Turkse gevangenissen waren wel bekend. Ondanks de nodige problemen om onze lichamen de weg naar het hotel te laten afleggen en verschillende lachkicks kwamen we daar zonder kleerscheuren, maar wel met bonkend hart aan.

Reisadvies: "To enjoy Turkey but not its jails AVOID HASH"